Lekcja Polskiego

Być is de infinitief van zijn.

Vervoeging

Persoon Pools Nederlands
ik (ja) jestem ik ben
jij (ty) jesteś jij bent
hij / zij / het (on / ona / ono) jest hij / zij / het is
wij (my) jesteśmy wij zijn
jullie (wy) jesteście jullie zijn
zij (oni / one) są zij zijn

oni is voor mannen of een gemengde groep. one is voor vrouwen, dieren, en dingen.

Voorbeelden

Pools Nederlands
Jestem w sklepie. Ik ben in de winkel.
Jesteś zmęczony. Jij bent moe.
Ona jest z Polski. Zij komt uit Polen.
Jesteśmy na uniwersytecie. Wij zijn op de universiteit.
Jesteście w szkole. Jullie zijn op school.
Oni są chorzy. Zij zijn ziek.

Beleefde vormen

Tegen wie Vorm Nederlands
tegen een man Pan jest u bent
tegen een vrouw Pani jest u bent
tegen een groep Państwo są jullie zijn

Voorbeelden

Pools Nederlands
Pan jest w biurze. U bent op kantoor.
Pani jest zmęczona. U bent moe.
Państwo są z Holandii. Jullie komen uit Nederland.