Lekcja Polskiego

Mówić is de infinitief van spreken of zeggen.

Vervoeging

Persoon Pools Nederlands
ik (ja) mówię ik spreek
jij (ty) mówisz jij spreekt
hij / zij / het (on / ona / ono) mówi hij / zij / het spreekt
wij (my) mówimy wij spreken
jullie (wy) mówicie jullie spreken
zij (oni / one) mówią zij spreken

Voorbeelden

Pools Nederlands
Mówię po polsku. Ik spreek Pools.
Mówisz po niderlandzku. Jij spreekt Nederlands.
Ona mówi wolno. Zij spreekt langzaam.
Mówimy po polsku. Wij spreken Pools.
Mówicie głośno. Jullie spreken luid.
Oni mówią po angielsku. Zij spreken Engels.

Beleefde vormen

Tegen wie Vorm Nederlands
tegen een man Pan mówi u spreekt
tegen een vrouw Pani mówi u spreekt
tegen een groep Państwo mówią jullie spreken