Lekcja Polskiego

Wiedzieć is de infinitief van weten.

Vervoeging

Persoon Pools Nederlands
ik (ja) wiem ik weet
jij (ty) wiesz jij weet
hij / zij / het (on / ona / ono) wie hij / zij / het weet
wij (my) wiemy wij weten
jullie (wy) wiecie jullie weten
zij (oni / one) wiedzą zij weten

Voorbeelden

Pools Nederlands
Wiem. Ik weet het.
Nie wiem. Ik weet het niet.
Wiesz? Weet je het?
Ona wie, że on jest z Polski. Zij weet dat hij uit Polen komt.
Wiemy. Wij weten het.
Czy oni wiedzą, że go nie ma? Weten zij dat hij er niet is?

Beleefde vormen

Tegen wie Vorm Nederlands
tegen een man Pan wie u weet
tegen een vrouw Pani wie u weet
tegen een groep Państwo wiedzą jullie weten